Verhaal: Dwaasheid

 

Vandaag is er weer eens een verhaal! Dit is door mij, LadyLuna, geschreven, en het is op de film Titanic geïnspireerd, waarover ik ook een recensie geschreven heb. Benieuwd? Lees dan zeker verder!

Dwaasheid

Overal liepen gillende mensen over het dek. De paniek was als gif ieders hart binnengedrongen. Mensen waren niet meer bij hun verstand. Ze sprongen uit angst van het dek af, doorboorden zichzelf met een mes en dronken alle alcohol op die ze maar kon vinden, om te kunnen ontsnappen aan de harde realiteit. Ik kon het ze niet kwalijk nemen.
Het leek alsof mijn hart elk moment uit mijn borstkas kon vliegen, en warme tranen van angst gleden over mijn gezicht.
‘Het komt wel goed.’ Charles nam me in zijn armen en drukte een kus op mijn wang. ‘Ik bescherm je wel. Wat er ook gebeurt.’
‘Jij kunt me niet beschermen tegen een zinkend schip.’ zei ik killer dan ik had gewild.
‘Ik zal wel alles doen wat ik kan. Kom mee – we gaan een roeiboot zoeken.’ Hij nam mijn hand vast en trok me mee – ik strompelde als een wrak achter hem aan. Ik keek om me heen. Overal stonden huilende kinderen samen met hun moeders die hen probeerden te troosten, bange vrouwen die naar hun man zochten – ik greep Charles hand harder vast – en een priester die het evangelie voordroeg met een groepje biddende, angstige mensen om zich heen. Met elke minuut dat we op het schip bleven begon het harder te kantelen. Het was alsof we een helling opliepen. Het was angstaanjagend.
‘Vrouwen en kinderen eerst!’ hoorden we iemand boven het rumoer uitschreeuwen. ‘MIJNHEER! GA DAAR METEEN UIT! NU METEEN!’
‘Ik denk dat we de juiste kant zijn opgegaan.’ glimlachte Charles. Ik staarde hem aan. Ik wou dat ik zijn gave had, de gave om altijd optimistisch te blijven. Op dat vlak waren we echt tegenpolen van elkaar. Ik had een gevoel dat niets nog goed zou komen. Maar ja, wie dacht dat nu niet? Ik durfde te wedden dat zelfs Charles dat dacht maar die gedachte onderdrukte om mij te troosten. Hij was het beste wat mij was overkomen. Hoewel ik zo vaak bot tegen hem deed, hij deed altijd alle moeite om mij te helpen. Eigenlijk was ik gewoon een egoïstische trut. En hij was mijn engel. De engel die mij in evenwicht hield. Altijd.
‘Kom-‘ Charles liep voor me en sleurde me mee aan zijn hand door de opeengepakte massa van mensen die hun longen uit hun lijf schreeuwden. Na ons door de massa heen te wurmen kwamen we bij de man die de boot inlaadde.
‘Maar alleen vrouwen en kinderen zijn toegelaten!’ Ik moest drie keer in zijn oor schreeuwen voordat hij het begreep. Hij haalde veelbetekenend zijn schouders op.
‘Dat is toch goed genoeg?’ riep hij rustig.
‘Nee – Nee, Charles, dit doe je niet. Ik ga niet weg zonder jou. Echt niet. We zoeken een andere boot, kom – we vinden er wel een-‘ ik deed een poging om de andere richting op te lopen en hem mee te trekken, maar hij hield me tegen. Ik had nooit geweten dat hij zo sterk was; je kon het ook niet echt zien ofzo. Hij was normaal gebouwd.
Ik schudde heftig mijn hoofd. ‘Nee! Nee! Dit flik je me niet, Charles! Jij gaat mee of ik ga niet. Ik sterf nog liever samen met jou dan te leven zonder jou! We moeten een andere boot zoeken waar ze wel mannen mee laten gaan!’ Ik probeerde me los te trekken van hem, hij zou me toch volgen als ik ergens heen liep. Maar zijn hand bleef onbewegelijk.
‘Juffrouw, stapt u maar in. Er is nog genoeg plaats.’ verzekerde de man me.
‘Mag Charles alsjeblieft ook mee? Ik kan niet zonder hem!’ smeekte ik.
De man schudde spijtig zijn hoofd. ‘Sorry, alleen vrouwen en kinderen zijn toegelaten. Maar er is vast wel nog een boot die jongemannen meeneemt!’ deed hij in een dappere poging van liegen.
‘Zie je wel?’ zei Charles alsof hij de man geloofde. ‘Komaan, klim erin.’
‘Hoe vaak moet ik het nog zeggen? Nee Charles, n-‘ Opeens duwde hij me naar voren zodat de man hem kon helpen met mij in de boot te hijsen en ik kon totaal geen weerstand bieden, ik kon alleen vergeefs spartelen. Ik kwam zacht op de houten bank terecht en probeerde terug te gaan.
‘Nee! Victoria! Blijf zitten – Laat haar niet gaan! Hou haar alsjeblieft tegen!’ riep Charles naar een van de oudere vrouwen die achter me zat. Met één blik op haar struise lichaam wist ik dat ik niet meer weg zou kunnen uit de boot. Toch zou ik alles proberen.
‘Laat me los! Ik wil afscheid nemen! Even! Alsjeblieft!’ smeekte ik.
De man en de vrouw leken wat ontroerd. ‘Even dan maar.’ gaf de man toe.
Ik leunde voorover uit de boot – natuurlijk werd ik vanachter vastgehouden door de struize vrouw- en greep hem vast alsof mijn leven van hem afhing. Wat geen leugen was. Charles nam mijn hoofd zacht vast en een lange zoen maakte mijn hoofd leeg. Toch kon ik de tranen waarmee mijn ogen zich vulden niet tegenhouden.
Charles veegde mijn tranen teder weg met zijn duimen. ‘Hé, ik weet dat je me toch niet gelooft, maar alles komt echt goed. We gaan hier beiden uitkomen. Ik beloof het je.’
Loze beloftes, dacht ik kwaad toen ik hem losliet.
Ik werd dit keer helemaal naar achter in de boot geduwd, zodat ik niet op de een of andere manier eruit zou klimmen, terug op het schip. De minuten erna kwamen er nog meer mensen in de boot zitten. Eigenlijk merkte ik die niet eens op. Ik bleef in de ogen van Charles kijken, om twee redenen. De eerste reden was zodat hij zich zou bedenken en me niet mee zou sturen met de roeiboot, en de tweede was eigenlijk wel de belangrijkste. Ik wou zijn gezicht inprenten in mijn geheugen, ik wou het brandmerken. Ik was doodsbang dat dit de laatste keer was dat ik hem zag.
Opeens begon de boot te zakken naar het water. Ik raakte in paniek en keek angstig om me heen. Zonder na te denken stond ik recht en probeerde naar voren in de boot te lopen, om bij hem te kunnen blijven. Ik stak mijn armen naar hem uit. ‘Charles! Alsjeblieft, we moeten samenblijven! Neem me mee!’ snikte ik. Maar hij reageerde niet. Hij bleef me alleen aanstaren, en schudde langzaam zijn hoofd. Ik probeerde de brok in mijn keel weg te slikken.
Ik keek hem verontwaardigd aan. Het voelde als een soort verraad. Alsof hij niet bij me wou zijn. Ik besefte dat ik nog steeds in dezelfde houding stond en ging verslagen zitten. Ik wou niets meer met hem te maken hebben. Hij wou mij blijkbaar mijden, dus waarom zou ik dat niet bij hem doen? Ik veegde mijn gezicht af aan mijn rok en keek expres de andere kant op. Ik tuurde uit over zee, terwijl mijn gedachten op volle toeren draaiden. Pijnlijke gedachten.
Opeens raakte de boot het water met een kleine klap en ik besefte dat ik gered was. Dat ik deze hele ramp zou overleven.
‘Victoria!’ riep Charles. Ik kon het niet helpen, ik moest even kijken. Voor de laatste keer. ‘Ik hou van je. Vergeet dat niet. Nooit.’
‘LEUGENS!’ schreeuwde ik terug. Hij keek me ellendig aan. Maar hij deed geen enkele moeite om er tegenin te gaan. Het was waar, besefte ik pijnlijker dan ooit. De gedachte doorboorde mijn hoofd alsof het een brandende speer was. Dus dit was het afscheid.
Ik staarde verscheurd naar de vloer van de reddingsboot. Iemand vroeg me of ik even mee kon roeien, wat ik dan ook deed om mijn gedachten te kunnen verzetten. Na een kwartier te roeien zei de man die daarnet de boot inlaadde dat we ver genoeg waren. Het enige wat ons nog restte om te doen was wachten en met pijn in het hart kijken naar hoe de Titanic zonk. Inmiddels was hij al zo schuin dat een groot deel van het voorste dek onder water stond. Het voelde verschrikkelijk om zomaar toe te kijken terwijl al die andere mensen in paniek van het gevaar probeerden te ontsnappen. Ik zou opgelucht moeten zijn, maar dat was absoluut niet hoe ik me voelde. Ik probeerde tevergeefs de gedachte dat Charles nog op dat schip zat uit mijn hoofd te bannen.
Het was raar om alle chaos op het schip te zien, de vuurpijlen die werden afgestoken, de mensen die ten einde raad waren en zich van de bovenste deel van het schip lieten storten.
Opeens leek het rumoer nog erger te worden. Het leek alsof het schip door onzichtbare handen als een tak in twee gebroken werd, waardoor het bovenste deel met een klap naar beneden viel. Het onderste deel was al helemaal gezonken toen het bovenste deel verticaal ging staan en even dobberde, voor het zelf ook zonk. Nu lagen de mensen die erin geslaagd waren om niet meegezogen te worden met het schip luidkeels te schreeuwen en te spartelen in het water. Ik hoopte dat Charles daar ook tussen zat. Dat hij het overleefd had. Misschien hadden we toch nog kans om het samen te overleven. Ik rilde. Maar plots schoot me iets te binnen. Het was ijskoud vannacht. Maar als de openlucht al koud was, wat was het water dan wel niet? Ik voelde op mijn hoede met een vinger aan het water, dat ijskoud was. Zelfs ik wist dat dit niet te overleven was. Ik wist niet goed wat me bezielde, maar in twee seconden maakte ik een beslissing. Ik zou hem gaan helpen, hoezeer ik het vriezende water ook schuwde. De rest van de passagiers van de boot waren teveel bezig met de arme gillende mensen te bekijken, dus kon ik zonder problemen rechtstaan en me klaar maken om te springen. Ik wist dat dit dwaas was, misschien het meest dwaze wat ik ooit in mijn leven zou doen. Maar ik kon hem niet achterlaten, met alles wat we hadden meegemaakt samen… Zelfs als hij me wou mijden. Ik wou net springen voor iemand me tegenhield.
‘Wat ga je doen?! Ben je gek?!’ riep de struise vrouw van daarnet terwijl ze mijn jurk vasthield om te tegen te houden. De andere passagiers keken me geschokt aan.
‘Misschien wel ja, maar ik kan Charles niet zomaar achterlaten. En laat me nu los.’ zei ik dapper.
‘En wat als hij al dood is?’ vroeg de man met de leiding.
‘Dan is hij maar dood, maar als hij nu nog zou leven en ik niet achter hem zou gaan… Dan ga ik het mezelf nooit kunnen vergeven. ‘ Ik deed nog een poging om in het water te springen, maar ze hield me weer tegen.
‘Als je het echt wilt… Maar er is geen weg terug. Ook niet in de boot. Het spijt me.’ zei de man kordaat. Ik overwoog die optie. Ik dacht niet dat ik nog veel kans had om te overleven. Ik zuchtte.
‘Wacht,’ een van de jongere vrouwen in de boot deed haar zwemvest los. ‘Doe deze aan.’ Ze gaf me hem aan en zo snel mogelijk trok ik hem over mijn dikke jas.
‘Vaarwel.’ fluisterde ik. Een aantal mensen knikten vriendelijk. En toen sprong ik.
Het was alsof er honderden messen in mijn lichaam gestoken werden – tegelijkertijd. Mijn longen werden afgesloten en ik kon geen adem meer halen. Ik kon zelfs niet meer bewegen. Ik kon bijna niet meer ademhalen van de kou. Het voelde alsof ik aan het bevriezen was en even wist ik niet meer wat ik ging doen. Het enige waar ik nog aan kon denken wat mijn eigen pijn en ik wou zo snel mogelijk terug in de boot klimmen – wat niet ging. Plots herinnerde ik me dat Charles me nodig had. Ik dwong mijn ledematen te bewegen en het lukte om vooruit te raken. Ik besloot door te zetten en mijn eigen pijn te vergeten. Zo zwom ik – vechtend tegen mijn eigen lichaam – naar alle gedaanten die hulpeloos lagen te bewegen. Met al mijn kracht wist ik de eerste lichamen te bereiken – sommigen bewogen al niet meer. Ik keek naar de hoeveelheid mensen om me heen – hoe ging ik hem ooit vinden? Ik zwerfde eerst wat doelloos rond, tot ik een zachte, verbaasde stem hoorde. ‘Victoria?’
Ik zocht verwoed naar de plaats waar de stem vandaan kwam. Mijn blik viel op Charles, die op een kleine ton ronddreef.
‘W-wat doe j-je hier?’ Na bijna elk woord dat hij fluisterde moest hij ademhalen.
‘Jou helpen.’ fluisterde ik terug. ‘Kom – we gaan hier weg.’
‘Dat gaat niet – mijn b-been is gewond. Maar w-waarheen?’ Hij zag er zo hulpeloos uit.
Ik besefte dat hij een goede vraag had gesteld – hier had ik nog niet eens over nagedacht. We zouden beiden bevriezen en we mochten niet meer in de roeiboten. Ik wist geen antwoord.
Hij zuchtte moeizaam. ‘W-waarom ben je n-naar hier gekomen, V-victoria? Waarom?’ Ik zag de pijn in zijn ogen glimmen.
‘Ik weet het niet.’ gaf ik toe en ik besefte nu pas hoe dom ik was geweest. Hoe had ik dit niet kunnen beseffen? Dat hij me in de roeiboten had gestoken om me te laten overleven, in plaats van me te mijden. Hij had dit gedaan uit liefde – en hij had niet geantwoord op mijn gemene reactie omdat hij wist dat ik op mijn tenen getrapt zou zijn en uit koppigheid niet meer zou proberen terug naar hem te gaan. Hij had erop gerekend dat ik het wel zou begrijpen – maar dat had ik niet gedaan. Nu was al zijn moeite voor niets geweest. We zouden beiden omkomen in deze ijszee tussen de andere lijken. Maar toen dacht ik aan wat ik eerder had gezegd. Dat ik liever samen met hem zou sterven dan zonder hem zou voortleven. Misschien was dit wel het lot.
Ik wist mijn eigen pijn te vergeten en bleef minutenlang naar hem kijken, ik zag hoe hij langzaam zijn krachten verloor. Ik huilde niet; ik had de afgelopen uren teveel gehuild – uit angst en uit woede. Maar nu ik ze nodig had voor verdriet, waren ze op. Wat een zonde.
‘Charles.’ fluisterde ik in zijn oor. ‘Ik hou van je.’
Ik wist niet zeker of hij het wel gehoord had en wou het bijna een tweede keer zeggen. Maar dan verscheen er een warme glimlach op zijn blauwe gezicht tot die vervaagde. De dood had hem van me weggenomen. Mijn hele wereld leek te verzwaren en werd grijzer. Mijn enige reden om te leven had hem net verlaten. Ik ging drijven op een klein stuk hout en bleef zijn levenloze gezicht aanstaren tot ik hem zou achterna komen in de dood. Ik werd verteerd door schuldgevoelens. Zo gleed ik weg van alles en iedereen. Door mijn eigen dwaasheid.

 

Advertenties

3 thoughts on “Verhaal: Dwaasheid

  1. Pingback: Verhaal: Lafaard | De Lady Library

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s